Posts tonen met het label Techniek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Techniek. Alle posts tonen

zaterdag 1 juni 2019

De Lexus IS300h is een onzin-auto voor mannetjes

Eén van mijn kleine geneugten is een fijne auto. Een soort Toyota Prius, maar dan de luxe versie ervan, een Lexus. Comfortabel en oerbetrouwbaar.


Ik onderhoud 'm grotendeels zelf, omdat er eigenlijk nooit iets anders aan hoeft te gebeuren dan jaarlijks olie en filters verversen en omdat de dealer er niet de juiste motorolie in doet. 

Nu moest het ding desondanks naar de dealer voor een recall, omdat er iets met de zij-airbags was. Het mooie is dat ze dan ongevraagd een leen-auto voor je achterlaten. Deze keer was het een Lexus IS300h van 2018.
Beetje groot voor mijn maatstaven, maar verder wel een fijn apparaat, dat goed vooruitkomt. Ik reed er veertig kilometer in en ik kwam al snel niet meer bij van het lachen. Even wat uitleg.

Dit is een hybride auto. Dat wil zeggen dat hij zowel een motor op dinosaurussap als een elektromotor en accu heeft. In combinatie met een planetair tandwielstelsel maakt die elektromotor dat de auto geen versnellingsbak nodig heeft. Er zit zelfs geen achteruitversnelling op, hij kan alleen elektrisch achteruitrijden. Daarom roept Lexus dat hun auto's 'standaard automaat' hebben, maar dat is marketinggejok, want er wordt dus helemaal niet geschakeld.



Elke Lexus hybride heeft drie rij-modi, die je met een draaiknop kunt kiezen: Eco, Normaal en Sport. Bij mijn auto gaat-ie in de sportstand alleen wat zwaarder sturen en reageert de motor wat vlotter op het gas. Maar bij de IS300h gebeurt er meer: hij gaat meer herrie maken en - wait for it - hij doet net of-ie schakelt! Zoals gezegd, er zit helemaal geen versnellingsbak in, maar als je in de sportstand het gaspedaal intrapt gaat-ie meer broembroem en hengheng doen en simuleert-ie versnellingen die er niet zijn.

Het wordt nog gekker: je kunt in dit ding, als je wilt, ook zelf doen alsof je schakelt, door middel van zogenaamde 'flippers' achter het stuur. Op de foto kun je ze net boven de knoppenwinkel op het stuur zien uitpiepen. Die flippers zitten ook in formule 1-auto's, waar het nut heeft, omdat daar alles zo snel gaat dat je je hand maar beter niet van het stuur kunt halen om te schakelen. Maar in de IS300h is het dus dubbele onzin: geen raceauto en geen versnellingsbak.

Ik stel me zo voor dat de mannetjes die dit soort auto's kopen leasen het niet interesseert. Ze hebben geen idee hoe een auto in elkaar zit en houden van broembroem en hengheng, omdat ze geloven dat het 'sportief' is.

zaterdag 24 december 2016

De Kantoorkist

De Kantoorkist - model flightcase
Hoewel ik maar een eenvoudige kantoorslaaf ben, heb ik sinds kort een flightcase. Het soort kist dat wereldwijd wordt gebruikt door raceteams, fotografen, musici, rockbands, theatergroepen en film- en TV-makers om allerhande kostbare spullen in te vervoeren. Dat zit zo.

Aanleiding

M'n werkgever heeft besloten dat z'n medewerkers te veel ruimte innemen en dat dat te veel geld kost. Daarom moeten we aan Het Nieuwe Werken. Dat wil zeggen:
  • Geen vaste werkplekken meer;
  • Kunstmatige schaarste: ongeveer 0,7 bureau per medewerker, een meter plank voor dossiers en nog een locker voor persoonlijke zaken;
  • Tijd- en plaatsonafhankelijk werken. Je kunt ook thuiswerken.
De schaarste brengt met zich mee dat je van tevoren nooit weet of je op kantoor nog wel een werkplek hebt en zo ja, waar die zal zijn. Als je pech hebt kan die werkplek ook in een heel ander deel van het gebouw zijn, ver weg van de plank in de kast waar je je spullen hebt. We zijn op het moment van schrijven nog nauwelijks gedigitaliseerd.

Ik werk met een groot aantal dossiers, waarvan sommige nogal dik zijn, of vertrouwelijk. Die sleep ik niet mee naar huis en ik ga er al helemaal niet mee in de kroeg of het park zitten. Die ene plank is tijdens kantooruren niet afsluitbaar; iedereen kan erbij. 
Klagen heeft niet zoveel zin, want men heeft nu eenmaal bedacht dat iedereen zich hieraan moet houden en 'flexibel' moet zijn. No exceptions! Althans zo min mogelijk.
Maar ik heb geen zin om me slaafs te schikken, want ik ben geen eenvormig machientje. En ik heb vooral geen zin om m'n spullen onoverzichtelijk op een plank te stapelen, ergens in een open kast waar ik niet bij in de buurt werk. Vandaar een kantoorkist.

Eisen

De eisen voor m'n kantoorkist waren betrekkelijk eenvoudig:
  • Praktisch, degelijk, afsluitbaar en groot genoeg.
  • Een kleiner volume dan de plank en het persoonlijke kastje.
  • Mobiel. Ik moet overal in het gebouw kunnen werken en dan m'n spullen bij me hebben.
  • Ruimte voor dossiers, laptop+voeding, drinken (waaronder waterfles, theemok en theezakjes) en kantoorgereedschappen.
  • Onderscheidend en herkenbaar.
Wat zoekwerk op internet bracht me bij de Flight Case (of op z'n Amerikaans: Road Case).  Het concept heeft zich bewezen doordat dit soort kisten al decennia over de hele wereld worden gesleept, waarbij zowel de kist als de inhoud steevast heel blijft.

Uitklapbureau-in-een-flight-case
Er zijn veel bedrijven die fantastisch mooie flight cases maken, vaak precies op maat. Die zijn duur, want het ontwerpen en in elkaar zetten van die dingen kost nu eenmaal tijd. Er is zelfs een bedrijf in Soesterberg dat geweldige uitklapbureaus maakt, die door tourmanagers over de hele wereld worden gebruikt. Ze kosten alleen wel duizenden euro's per stuk. Te duur voor een kantoorslaaf die alleen maar een kist wil. Je kunt ook een goedkope standaardkist uit China kopen. Maar ja, da's een standaardkist, vaak van twijfelachtige kwaliteit.

Het leuke is: je kunt ze betrekkelijk makkelijk zelf maken, helemaal naar eigen wens. Kleine flight cases, grote flight cases, lichte flight cases, hele stevige zware flight cases, met en zonder wielen, kleppen of deuren, alles is mogelijk. Er zijn ten minste twee grote fabrikanten (Adam Hall en Penn Elcom) die een gigantische keus in materialen en onderdelen hebben, waarmee iedereen met wat tijd, zin en het juiste gereedschap z'n eigen flight case kan maken.

Dus zo gezegd, zo gedaan.

Uitvoering

Houten lade met inzetbakje
en aluminium hangmaplade
Het begon met plannen, denken, schetsen en fantaseren. Bedenken wat er allemaal in moet en waar het een plekje in de kist moet krijgen. Gaandeweg kwam ik er zo achter welke afmetingen en indeling m'n kantoorkist moest hebben.
Toen dat eenmaal duidelijk was heb ik eerst de laden gemaakt: een houten lade en twee hangmapladen van aluminiumprofielen. Daarna wist ik hoe groot de buitenkant zou worden en heb ik het hout en metalen beslag voor de kist zelf besteld. In feite heb ik m'n kist dus van binnen naar buiten gebouwd.

De onderdelen - 9 mm multiplex met
1 mm laminaat, aluminiumprofielen,
popnagels en beslag
Het hout en de aluminiumprofielen kun je in grote maten en lengtes kopen en zelf op maat zagen. Maar het is slimmer om het zaagwerk door een professional te laten doen. Dan weet je tenminste zeker dat alles perfect haaks is, of precies in verstek gezaagd, zoals de zgn. sluitprofielen tussen de kist zelf en de deur. Ik heb het laten doen bij MCase/zelfbouwcase.nl in Zuidland, waar ik zeer tevreden over ben. Goede uitleg en service, vlotte levering. Daar kwam ook de rest van de onderdelen vandaan.

Speciale flightcase-popnagels en
fikse popnageltang
Nadat het hout gearriveerd was kon ik de deur en de kist zelf in elkaar lijmen en timmeren. Daarna de aluminium hoek- en sluitprofielen erop met speciale, geribbelde flightcase-popnagels, evenals de balhoeken, overzethoeken, handvatten, vlindersluitingen en het scharnier.
Het lijkt allemaal simpel als je het leest, en het was ook niet echt ingewikkeld. Maar ik ben er heel wat uren, verspreid over een paar maanden mee bezig geweest. Uiteindelijk heb ik meer dan driehonderd popnagels in de kist verwerkt. Ik had er weliswaar een fikse popnageltang met een grote hefboomwerking voor aangeschaft, maar toch kreeg ik er nog behoorlijk lamme armen van.

Deur-met-interieur
Toen dat allemaal klaar was, moest het interieur nog ingebouwd worden. In de deur drie vakjes met deurtjes ervoor, en twee open vakken voor laptop en drinkfles. De deurtjes sluiten met de kleinste kogelsnappers die ik kon vinden, met een diameter van slechts 6,5 mm. Ze zijn verwerkt in het 9 mm dikke multiplex van de deurtjes zelf, waardoor ze geen kostbare ruimte innemen. Veel meer werk dan waar ik op had gerekend, maar wel goed voor menig genoeglijk uurtje in het atelier. Het scheelt dat ik een verwoed knutselaar ben, anders was die kist nooit afgekomen. En de deurtjes sluiten nu stuk voor stuk met een steeds weer enorm tevredenstellende klik.

De Kantoorkist in actie
Laden zijn 110% uittrekbaar
Tenslotte vier wielen onder de kist en eentje onder de deur, zodat de kist niet omflikkert als de deur opengaat. En om 'm helemaal uniek te maken, een parapluhouder (octrooi aangevraagd) en een home-made Kensington lock. Daarmee kan ik 'm met een staalkabel ergens aan vastleggen, zodat niemand ermee aan de haal gaat als ik er niet ben.

Het Nieuwe Werken, zoals het bij ons is ingevoerd, is een plat, eenvormig concept dat achter een bureau is bedacht door ietwat autistische lieden die er heilig in geloven en het met zo min mogelijk flexibiliteit doorvoeren. Ik noem ze steevast conceptterroristen.
Tijdens het bouwen van m'n kist had ik veel voorpret over mogelijke reacties van de conceptterroristen. Ik had erop gerekend dat mijn kist niet in het platte concept zou passen. Hij is in volume echter veertig liter kleiner dan die onhandige plank en locker bij elkaar, maar oneindig veel praktischer en mobieler. Ik was graag de discussie met ze aangegaan. Nu ik het ding een paar weken tot volle tevredenheid gebruik ben ik eigenlijk een beetje teleurgesteld dat er nog geen conceptterrorist over is gevallen. Geen enkele reactie uit die hoek, niets.

De Kantoorkist in ruste
Gelukkig wel heel veel positieve en enthousiaste reacties van collega's. Sommigen informeren voorzichtig wat dit grapje me gekost heeft. Ik schat zo'n vierhonderd euro, waarbij ik niet eens meereken dat dit een mooi excuus was om weer wat gereedschap te kopen.
Er zijn er ook die suggereren dat ik ze in serie zou kunnen maken - voor collega's bijvoorbeeld. Maar dan vertel ik hoe enorm kostbaar m'n vrije tijd is; en dat niemand dat kan betalen. Ik blijf dus hoogstwaarschijnlijk de enige bij ons op kantoor met een eigen kantoorkist.

zaterdag 25 oktober 2014

Shaun, het mechanische schaap

Moos: "wat moet dat in mijn tuin?"
Bij het huis waarin ik woon ligt al twintig jaar een gazon. In die twintig jaren heb ik het niet altijd even goed onderhouden. Met als resultaat dat het eigenlijk niet meer een gazon, maar een mosvlakte was. Er hielp geen kalk, mest of verticuteren meer aan, het gras had de strijd goeddeels verloren.

Nu heeft mos ook z'n voordelen: je hoeft het niet te maaien. En als je er verder niet aanzit, blijft het groen en egaal. Maar ja, het is toch het resultaat van jaren luiheid en dat wens je niet als uithangbord om je huis te hebben liggen.

Kortom: er moest maar eens een nieuwe grasmat komen. Nadat ik bij mijn wederhelft enige tijd vruchteloos voor kunstgras had gepleit ("Niet duur! Echt, net echt! Onderhoudsvrij!"), werd er uiteindelijk toch een grasmat van echte zoden uitgerold. Maar ik had intussen wel een degelijk compromis uitonderhandeld: een robotmaaier. Een heuse Husqvarna Automower 305.

Enerzijds is zo'n robotmaaier natuurlijk een stuitend decadent ding, de ultieme uiting van ons tweeverdienerschap, de luiheid ten top. Maar anderzijds: niet meer elk weekend een uur lang met een luid knetterende en smerig walmende grasmaaier aan de gang, maar alleen op gezette tijden een zacht zoemen (en soms wat knisperen als-ie een blaadje of takje tegenkomt). Milieuvriendelijk dus. En het is een genot om naar te kijken, want voor een grasmaaier is-ie enorm slim. Hij houdt steeds precies voordat hij de border in dreigt te rijden op met maaien, rijdt een stukje achteruit, draait een willekeurig aantal graden en rijdt weer verder, onderwijl kris-kras over het gazon rijdend en per saldo een prachtig egale grasmat achterlatend. Dat gaat net zo lang door tot-ie zelf merkt dat z'n accu moet worden opgeladen en dan zoekt-ie volledig automagisch z'n laadstation op. Daarom hebben we 'm Shaun genoemd, naar het onnatuurlijk intelligente animatie-schaap Shaun. Ons mechanische schaap weet precies waar het gazon ophoudt en rijdt nooit pardoes een border in, hij weet zelf z'n voerbak te vinden, hij weet wanneer hij moet maaien en wanneer hij zich koest moet houden. Hij is volledig autonoom. Nou vooruit, ik moet 'm maandelijks even op z'n rug leggen, schoonmaken en van nieuwe mesjes voorzien, maar afgezien daarvan redt-ie zich helemaal zelf. Klaagt niet, werkt dag en nacht door, in regen en wind en heeft niet meer nodig dan een stopcontact. Een ideale werknemer, zogezegd. Als ik hovenier was zou ik me serieus zorgen maken.

vrijdag 8 november 2013

Weg met de zuigermotor!

De aandrijving van ‘moderne’ auto’s verschilt qua vorm nog steeds niet veel van de stoommachines van drie eeuwen geleden: cilinders, zuigers, nokkenassen, kleppen, krukas, vliegwiel. De eerste praktische toepassingen van het mechaniek stammen uit het begin van de achttiende eeuw. Industriële gebruikers van stoommachines zagen al lang geleden in dat al die heen-en-weer gaande massa’s hartstikke inefficiënt zijn. Daarom zijn ze allemaal overgegaan op andere technieken. De stoommachine is uitgestorven. Sommige gebruikers van verbrandingsmotoren hebben die slag ook gemaakt: in veel vliegtuigen en schepen zijn ze al lang geleden vervangen door turbines die veel efficiënter zijn. Niet dat je die ook in auto's zou moeten gebruiken, het is alleen een bewijs dat het veel efficiënter kan.

In dat licht bezien is het vreemd dat de miljoenen wegvoertuigen van deze wereld bijna zonder uitzondering nog worden aangedreven door een mechaniek dat in zijn vorm nauwelijks verschilt van stoommachines van driehonderd jaar geleden. Is dat een probleem? Nee, niet echt, maar wel verbazingwekkend. Dat mechaniek is immers verschrikkelijk inefficiënt. Het werkt met heen-en-weer gaande massa’s (de zuigers en drijfstangen), die door middel van een kruk een ronddraaiende beweging in stand houden. Die massa’s moeten op snelheid gebracht worden, weer afgeremd, weer op snelheid gebracht, et cetera, ad infinitum. Tientallen tot honderden afzonderlijke onderdelen moeten voortdurend in beweging worden gehouden. Dat kost energie, slijtage, zorgt voor vibratie, wat ook weer voor slijtage zorgt en maakt herrie. Kortom: het is prutswerk, lui voortborduren op stokoude techniek. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat zuigermotoren slechts in een beperkt toerentalbereik hun optimale koppel leveren en er daarom altijd een (ook weer ingewikkelde) transmissie nodig is om dat koppel te kunnen gebruiken. Wat dat betreft hadden die ouwe stoommachines nog het voordeel van een praktisch constant koppel, net als elektromotoren.

Als je erover nadenkt is de manier waarop een viertaktmotor werkt krankzinnig. In elke cilinder van een viertaktmotor vinden per twee omwentelingen vier opeenvolgende gebeurtenissen plaats: aanzuigen (1), compressie (2), expansie (3) en uitlaten (4). Bij slechts één van die gebeurtenissen (expansie) doet de motor daadwerkelijk zijn eigenlijke taak: aandrijven. De rest is allemaal bijzaak, loze beweging zonder nuttige bijdrage aan de aandrijving, alleen bedoeld om gassen en dampen rond te pompen. Maar voor die bijzaken moet de motor dus wel driekwart van z’n tijd ronddraaien! Elke zuiger beweegt 75% van z’n tijd op en neer voor iets anders dan directe aandrijving. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het gemiddelde rendement van een moderne verbrandingsmotor nog altijd niet groter is dan pakweg 20%. De rest verdwijnt in warmte via het koelsysteem en de uitlaat, en door wrijving van al die op-en-neergaande zuigers en andere draaiende onderdelen, zoals krukas, nokkenas en kleppen.

Waarom worden er dan nog steeds bijna uitsluitend zuigermotoren in auto's gebruikt, vraag je je dan af. Ik vermoed dat het niet meer dan luiheid is. Die zuigermotor doet het al zo lang, consumenten zijn conservatief, iedereen blijft die auto's gewoon kopen, dus waarom zou je als producent een risico nemen door ineens met iets anders te komen, door te innoveren?
Mijn vermoeden wordt bevestigd door een recent verschijnsel: overheidsinterventie op het gebied van uitstoot en de reactie daarop van autofabrikanten. De overheid stelt steeds strengere eisen aan de emissie van zuigermotoren. Die eisen hebben ook invloed op het brandstofverbruik. En wat gebeurt er? Autofabrikanten klagen eerst steen en been, ach en wee. Hoe durft die overheid het ze zo moeilijk te maken. Maar het eind van het liedje is dat ze ineens allemaal met zuinige en emissie-arme motoren op de proppen komen. Technisch kan het dus wel degelijk, ze moeten er alleen toe gedwongen worden, want uit zichzelf zijn ze er te laf of te opportunistisch voor. Het is immers veel simpeler en winstgevender om eindeloos oude techniek in nieuwe jasjes te blijven verkopen. De eveneens luie en vooral oppervlakkige consument koopt het toch wel, als het er van de buitenkant maar 'mooi' uitziet.

Kortom: weg met zuigermotoren, vooral in auto's. Schrijf als (Europese) overheid voor dat de aandrijving van auto's met ingang van jaar X een rendement van minstens Y% moet hebben, waarbij Y meteen al veel hoger ligt dan 20 en met het verstrijken der jaren stijgt tot 75%. Moet je eens kijken hoe hard die autofabrikanten aan het innoveren slaan. Voor je het weet is de zuigermotor een voetnoot in de geschiedenis.  Weg ermee! Opgeruimd staat netjes.

zaterdag 19 oktober 2013

Moos' Magische Machine, Deel 2: de strijd is gestreden

Moos met de lange jatten
In het eerste deel van dit tweeluik maakten we kennis met Moos, onze huiscrimineel. We leerden zijn belangrijkste doel in dit leven: eten. Maakt niet uit van welke soort, plantaardig, dierlijk, als het maar eten is. En liefst zo veel mogelijk. En we leerden ook over Moos' Magische Machine, die gedurende de afwezigheid van Moos' mensen ervoor moest zorgen dat hij zich niet helemaal kogelrond zou eten aan z'n dieetbrokjes.

Moos bleek inventief (het gaat immers om eten) en zag meteen al kans om de machine te saboteren. Zijn mensen waren niet voor één gat gevangen en modificeerden de machine. Dat hielp even. Moos zag al snel in dat het morrelen aan de tuit van de machine geen zin meer had. Hij leek zich te schikken in zijn lot en zijn mensen riepen zichzelf al uit tot overwinnaars.

Maar dan ken je Moos nog niet - en ook niet zijn enorme, onstilbare behoefte aan eten. Want na enkele weken had Moos een andere manier gevonden om bijna onbeperkt brokjes aan zijn Magische Machine te ontfutselen. Dat ging als volgt.

Moos zette zijn voorpootjes op het houten plateau achter de machine, rekte zich zo lang mogelijk uit en duwde, nee ramde met zijn neus hard tegen de deksel van de voercontainer die bovenop de machine staat. Die container staat er los op en laat zich dus wat heen-en-weer bewegen. Door die beweging kwamen er bijna altijd wel wat brokjes in Moos' voerbak terecht. Moos deed niet alleen alsof z'n neus bloedde, z'n mensen kwamen nu juist achter z'n nieuwe manier van eten stelen toen ze zagen dat z'n neus daadwerkelijk bloedde! En dat er bloed achterop de container van Moos' Magische Machine zat. Ik bedoel maar: eten is het allerbelangrijkste voor Moos, hij doet er alles voor, tot bloedens toe. Bloody cat.

Maar goed, Moos had op zijn manier dus weer gewonnen en dat konden z'n mensen natuurlijk niet op zich laten zitten. De Magische Machine ziet er inmiddels zo uit:
Moos' gemodificeerde Magische Machine - eindversie

Aldus ingekapseld, geharnast, gepantserd, heeft Moos er zelf de afgelopen weken geen brokje meer uit weten te peuren. Hij krijgt alleen brokjes als de machine dat wil.

De strijd lijkt gestreden. Moos ziet geen kans meer om naar believen brokjes te tappen. Maar daar was wel heel wat voor nodig.

De nogal boude bewering van de producent dat het apparaat 'as secure and tamper-proof as possible' is, is in elk geval ontmaskerd als een flagrante leugen. Het ding moet nog veel secureder en tamper-proofer gemaakt worden en possible is dat zeker. Ik twijfel alleen nog of er wel een markt is voor de verbeterde versie.

zaterdag 1 juni 2013

Moos' Magische Machine, Deel 1: Moos-proof?

Dit is Moos, onze huiscrimineel.


Moos is dol op broccoli, spruitjes, champignons, worteltjes, bananenschillen, paprika en zo nu en dan een Spaanse peper. Moos weet niet dat hij carnivoor is, maar hij weet wel wat hij wil: eten. Moos reageert soms op zijn naam, maar altijd op het woord 'eten'. Of op 'hapje', of 'honger'. Moos doet alles - maar dan ook alles - voor eten. Hij doet helemaal een moord voor z'n dieetbrokjes, die hij altijd achter elkaar opschrokt, alsof z'n leven ervan afhangt. Wat in zekere mate natuurlijk ook zo is.
Als Moos niet in toom gehouden wordt, eet-ie alle brokjes die hij kan bemachtigen in één keer op. Dus Moos wordt drie keer per dag, op vaste tijden gevoerd. In zorgvuldig afgemeten doseringen. Het is voor z'n eigen bestwil.

Verder is Moos wel een leuke kat. Hij heeft echter, zoals de meeste katten, niet bijster veel normbesef. Je kunt Moos niet leren dat iets niet mag. Hij interpreteert een vermaning als 'mag niet als m'n mensen er zijn, maar mag anders natuurlijk wel'.

Als Moos' mensen een paar dagen weg zijn komen de buren 'm dagelijks eten geven. Helaas gaan z'n mensen binnenkort een paar dagen weg, terwijl de buren ook weg zijn. Er is verder niemand die 'm kan komen voeren. Wat nu?

Daar hebben z'n mensen 't volgende op gevonden: de Cat Mate C3000.

Tadaa!

Op het eerste gezicht een geweldig apparaat. Geheel programmeerbaar, met drie nauwkeurig afgemeten maaltijden per dag, op de tijden die Moos gewend is. Bijna alle onderdelen kunnen in de vaatwasser en hij heet katbestendig te zijn. Volgens de FAQ van de producent:







Will my pet be able to interfere with the feeder and get to the food before the programmed meal time?
All feeders are designed to be as secure and tamper-proof as possible and will dispense/serve food only when the timer allows. In addition, for overly vigorous cats and small dogs, all feeders can be easily fastened to a wooden board for extra stability.


Dan denk je: dat zit wel goed. Daar kan niets misgaan. Moos zal zich niet kogelrond kunnen eten. Nou, dat had je gedacht.

"Hee, hoe kan dat nou?"

Na de eerste dag waarin Moos' mensen 'm met z'n Cat Mate C3000 alleen hadden gelaten, troffen ze bovenstaande puinhoop aan. Het bleek dat de kat vakkundig de tuit van Moos' Magische Machine had gesloopt, waardoor al het voer pardoes in z'n voerbak was gestroomd. Niks tamper-proof, niks zorgvuldige dosering. Maar wel een puinhoop. En een Moos die zoveel had gegeten dat-ie de rest van de dag niet meer hoefde.

Moos' mensen moesten wel lachen, maar echt blij waren ze niet. Geef je veel geld uit voor een plastic apparaat met wat elektronica, maakt-ie het probleem alleen maar erger!
Misschien zat het 'm in een niet goed bevestigde tuit. Dus alles nog maar es extra stevig in elkaar gezet, de volgende dagen weer geprobeerd en kijk eens aan: Moos zag geen kans om de zaak een tweede keer te slopen. Waar hij wel kans toe zag was de machine stelselmatig meer brokjes te ontfutselen dan het ding eigenlijk zou moeten prijsgeven. Door flink aan de tuit te morrelen, of door z'n pootje erin te steken. Hij hoefde niet veel moeite te doen om een tamelijk constante stroom brokjes op gang te houden. En dat was dus niet de bedoeling.

Dit nodigde uit tot wat knutselwerk. De beta-versie:


Met behulp van een stukje 50mm PVC-buis en twee 45-graden knietjes werd de tuit van Moos' Magische Machine gefixeerd en de binnenkant ervan onbereikbaar gemaakt. Alleen: de brokjes bereikten op hun nauwelijks 70cm lange weg naar de voerbak zo'n enorme snelheid, dat ze aan het eind van de buis alle kanten op spatten. Moos werd er bang van en rende hard de andere kant op. Erg lachwekkend allemaal, maar niet zo effectief.

De oplossing: een gemodificeerde trechter.


Dit simpele stukje plastic remt de brokjes af, waardoor ze niet in Moos' voerbak worden geschoten, maar gewoon rustig vallen.

Die hele stellage op de tafel was natuurlijk alleen maar om te proberen, een proof of concept, zogezegd. De definitieve versie (nu onder de tafel) ziet er zo uit.

Ta-ta-dadaaa!

Eind goed, al goed. Hopelijk. We zullen zien of Moos' mensen zorgeloos een paar dagen weg kunnen.

Zie ook deel 2, want te vroeg gejuicht.

donderdag 1 mei 2008

Van de Triumph Spitfire, 20W50 olie en de puisterige puber

Het gebeurde allemaal op een prachtige lentedag. Nadat ik een paar MGB's langs m'n raam had zien scheuren besloot ik de middag vrij te nemen om m'n Triumph Spitfire aan de gang te krijgen. Daarvoor had ik motorolie nodig, van de soort 20W50 om precies te zijn. Naar moderne maatstaven is dat behoorlijk stroperig spul, maar deze motor heeft het nu eenmaal nodig. Dus op weg naar huis ging ik even langs de lokale automaterialenhandel, die me tot nu toe niet heeft teleurgesteld.

Eenmaal binnen werd ik benaderd door een puisterige puber: "kan ik u helpen?".
"Ik zoek 20W50 motorolie".
"20W50? Dat is zwaar. Wat voor auto hebt u?".
Ik verklaarde trots dat het om een Triumph Spitfire ging.
De puisterige puber keek me wat dommig aan en zei toen "ah, een diesel dus".
Hier viel ik even stil. Ik dacht een professionele automaterialenhandel te zijn binnengelopen en de dienstdoende puistenkop geloofde (van denken was geen sprake) dat er een dieselmotor in m'n Triumph Spitfire sportwagen van 1976 zat.
Ik probeerde nog: "nee, het is een T-r-i-u-m-p-h  S-p-i-t-f-i-r-e, je weet wel...", terwijl ik m'n vlakke hand ongeveer een meter boven de grond hield.
"Ja, dat moet een diesel zijn", zei de blaag beslist, "alleen oude diesels gebruiken dat spul. Ik kan wel wat bestellen als u wilt".

Zoals ik al zei, het was een prachtige dag, maar deze kluns had 'm wel grondig verpest.

Ik heb rechtsomkeert gemaakt en heb alle 20W50-olie gekocht die ik kon vinden bij een landbouwhuis. Boeren willen namelijk nog wel es oude trekkers hebben, waar ook dit soort motorolie in moet. Ik ben ervan overtuigd dat deze aankoop de kans aanzienlijk verkleint dat ik de komende jaren nogmaals geërgerd raak door de stuitende onwetendheid van een puisterige puber.

Maar m'n zorgen blijven: wat moet er van de jeugd van deze wereld worden?

maandag 31 maart 2008

Triumph 2500 PI Mk2 - tijdig op je bestemming aankomen is een optie

Dat waren nog eens auto's. Voorzien van een zescylinder lijnmotor van 2,5 liter en 125 tot wel 150 PK. En die motor had Pie-Aaj, brandstofinjectie. Dat hadden voor die tijd alleen Mercedessen. Het was dezelfde motor die in de Triumph TR6 zat. Elke schooljongen wist dat dat een echte open spogtauto voor mannen was, die rechtstreeks afstamde van de TR2, TR3 en TR4, waarmee Triumph op circuits had gezegevierd. De roemrijke glans van de TR-sportauto's straalde daarom af op de brave huisvaders die het geluk hadden om in een Triumph 2500 PI Mk2 als deze te mogen rijden. Triumph auto's waren de Britse BMW's*) van hun tijd - zo'n 36 jaar geleden.

Fast forward naar 2008.

Daar sta je dan, langs de Emmasingel in Groningen, in je prachtige, maar stilgevallen Triumph 2.5 PI MK2 in Conifer Green. Uiterlijk goed onderhouden, zelfs voorzien van echte TR6-velgen, maar het mocht niet baten. De motorkap staat op een kier en de bestuurder is aan 't bellen met hulpverleners. Overgeleverd aan de nukken van een auto uit een tijdperk waarin betrouwbaarheid nog een heel andere betekenis had.

Het leven is een avontuur en het leven met oude auto's is dat helemaal. Tijdig aankomen op je bestemming is niet standaard maar een optie. Ik hoop maar dat deze bestuurder geen haast had - en dat het snel weer goed komt met z'n mooie Triumph uit 1972.

*) BMW is tegenwoordig eigenaar van de merknaam Triumph. Het kan verkeren...

zondag 12 augustus 2007

Moddergevecht per auto (de modder won)

Ik wilde in de auto vanuit de stad Groningen even snel doorsteken naar het dorp waar ik woon. Dat deed ik vaak via het zandweggetje door de Peizer Maden (die overigens bitter weinig met vliegenlarven te maken hebben). Maar dat is dezer dagen niet zo verstandig meer. Nee, helemaal niet verstandig.

Dat zandweggetje ('woord van twaalf letters zonder klinkers') bleek recent geëgaliseerd te zijn. "Mooi", dacht ik, "geen hobbels meer". Ik kon zien dat er wel wat diepe bandensporen in zaten, maar daar kon ik makkelijk omheen rijden - dacht ik. Maar na enkele tientallen meters op het zandpad dacht ik "oh shit".
Het bleek dat het pad zeer recent geëgaliseerd was met pure, onvervalste bagger. Helemaal geen zandpad dus. Ik reed een paar honderd meter, in een zo hoog mogelijke versnelling om niet door te slippen, maar de motor loeide steeds harder en de auto ging steeds langzamer. Het gevoel in het stuur was compleet verdwenen - een regen van modder zo glad als snot spoot langs de ramen. Ik dacht andermaal "oh shit".
Bliksemsnel overwoog ik m'n opties. Als ik nu zou stoppen zou ik er hoe dan ook nooit op eigen kracht uitkomen. Als ik door zou ploegen zou ik een piepklein kansje hebben om de eindstreep en vaste grond onder de banden te halen. Ik besloot door te ploegen. A man's gotta do what a man's gotta do. Na een meter of zeshonderd kwam ik tot stilstand. Ik had nog minder dan honderd meter bagger voor me.


Vloekend en tierend zette ik de motor uit. Ik keek om me heen en besefte dat ik bijna in the middle of nowhere was. Hoe had ik zo stom kunnen zijn? Miljoenen jaren evolutie, biggest brains on the planet, en dan doet een mens in z'n overmoed dit? Vloek, tier. Toen ik uitstapte zakte ik met m'n pas gepoetste schoenen dertig centimeter weg in de smurrie. Nog meer vloek en tier. De auto stond tot aan de bodem in de blubber - voor de voorbumper lag een gestolde baggergolf, die de nummerplaat iets scheef had gedrukt.

Ik liep zeshonderd meter terug, naar een boerderij. De boerin kwam me hoofdschuddend tegemoet. "Goedemiddag, ik heb iets doms gedaan", zei ik. "Dat kun je wel zeggen", was het antwoord. Ze vertelde dat een aannemer de hele ochtend bezig was geweest om een op de zandweg vastgelopen shovel vlot te trekken. Zo'n grote laadschop met dikke, diep geprofileerde banden van meer dan anderhalve meter hoog. Okee, daarmee wist ik zeker dat ik hoe dan ook geen enkele kans had gemaakt.
De boerin wilde wel even vragen of d'r man genegen was om me d'r uit te trekken, maar hij was druk bezig met het uitmesten van de stal, dus het kon wel es een probleem worden. Of ik maar even wilde meelopen. Bij de stal aangekomen dacht ik weer "oh shit", want dat was een flinke berg stront die nog weggewerkt moest worden. De boer was hard aan 't werk met een trekker met laadschop om die berg te verplaatsen. Gelukkig was hij niet in een slechte bui en hoefden er nog maar een paar laadschoppen stront geschept te worden. Het redden van de auto ging wel vijfendertig euro kosten, zei-ie. Ik was al lang blij dat-ie me überhaupt wilde helpen.

Terug bij de auto sprak ik met wat medewerkers van de aannemer-van-de-shovel, die inmiddels bezig waren om de weg af te zetten met een nogal lullig rood-wit lintje. Ze vertelden (in het platste neo-Saksisch dat ik ooit gehoord heb) dat de shovel ongeveer een meter was weggezakt, een meter of drie voorbij de plek waar ik tot stilstand was gekomen. Slik.

De boer was er snel bij met z'n trekker en trok de auto er rustig en geroutineerd uit. Ik heb 'm veertig euro gegeven en gezegd dat 't okee was. Daarvoor kreeg ik een verlegen blik en "dankuwel" terug. "Je hebt wel weer wat beleefd, he?", zei de boer. "Ja, ik heb weer een mooi verhaal voor bij de centrale verwarming!", zei ik grijnzend. Met een welgemeend 'moi!' namen we afscheid.
Terug in de auto was ik blij dattie het nog deed. En dattie nog rechtuit wilde rijden, hoewel hij op snelheid wel wat trilde van de modder die nog aan de binnenkant van de velgen zat. Thuisgekomen heb ik het meeste er meteen met de tuinslang uitgespoten. De smurrie zat tot op het dak en tot achter het stuurhuis in de machinekamer. Tijdens het rijden daarna trilde de hele auto nog steeds, dus nog maar een keer met de tuinslang erbij. Het is al weken geleden, maar er ligt nog steeds een flinke laag troep op de oprit.